Onze diensten
Heb je hulp nodig? Neem gerust contact met ons op.
In 2024 kreeg 57 procent van de werknemers in zorg en welzijn te maken met agressie door patiënten, cliënten of hun naasten. Dat blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek in februari 2026 publiceerde.
Het cijfer op zich is bekend. Interessanter is wat eronder ligt: het is sinds 2020 vrijwel niet veranderd, en het hangt sterk samen met werkdruk. Dat laatste zegt iets over waar een oplossing zit.
Uit de CBS-enquête onder werknemers in zorg en welzijn, over het jaar 2024:
57 procent kreeg te maken met agressie door patiënten, cliënten of hun naasten.
31 procent kreeg te maken met agressie door collega’s of leidinggevenden.
Uitgesplitst naar vorm, bij agressie door patiënten of naasten:
48 procent verbale agressie, zoals schelden en schreeuwen
25 procent pesten
21 procent fysieke agressie
10 procent bedreiging of intimidatie
Bijna alle berichtgeving gaat over agressie door patiënten. Maar bijna een derde van de zorgmedewerkers krijgt te maken met agressie door collega’s of leidinggevenden.
Dat is een ander probleem met een andere oplossing. Bij een patiënt kun je de-escaleren en afstand nemen. Bij een collega zit je morgen weer met hem aan tafel, en dat maakt aanspreken veel lastiger.
Organisaties die alleen investeren in agressietraining gericht op cliënten, laten dus een derde van het probleem liggen.
Het gemiddelde van 57 procent verbergt hoe scheef de verdeling is.
79 procent van de sociaal werkers en groeps- en woonbegeleiders ervaart agressie. Dat is vier op de vijf.
36 procent van de pedagogisch medewerkers, die meestal in de kinderopvang werken.
30 procent van de schoonmakers en keukenhulpen.
Verzorgenden vallen op doordat zij relatief vaak te maken hebben met fysieke agressie en seksuele intimidatie. Specialisten op maatschappelijk gebied, zoals maatschappelijk werkers en psychologen, krijgen vooral te maken met bedreiging en discriminatie.
Voor beleid betekent dit dat een organisatiebrede aanpak zonder onderscheid weinig oplevert. De risico’s verschillen te sterk per functie.
Dit is het deel van de data dat zelden wordt aangehaald en dat het meest te zeggen heeft.
Van de zorgmedewerkers die hun werkdruk als te hoog ervaren, kreeg 68 procent te maken met agressie. Bij collega’s die de werkdruk als goed ervaren is dat 54 procent.
Nog scherper wordt het bij tijd voor de patiënt. Van de medewerkers die zeggen onvoldoende tijd te hebben om aandacht te geven aan hun patiënten of cliënten, ervaart 75 procent agressie. Bij wie daar wel voldoende tijd voor heeft is dat 57 procent.
Dat is een verschil van achttien procentpunt, verklaard door één factor: of iemand tijd heeft voor de mens tegenover hem.
De CBS-analyse is voorzichtig over de richting van dat verband en stelt dat er geen oorzakelijk verband is aangetoond. Wat je er wel uit kunt afleiden: agressie is niet alleen een eigenschap van de cliënt, maar hangt samen met hoe het werk is georganiseerd.
Het percentage van 57 is volgens het CBS vrijwel onveranderd ten opzichte van de meting in 2020.
Dat is opmerkelijk, want in die vier jaar is er veel gebeurd. Er kwamen campagnes, meldcodes, agressieprotocollen en trainingen. Toch staat de teller op vrijwel hetzelfde punt.
Twee verklaringen liggen voor de hand en sluiten elkaar niet uit. Er is meer bewustzijn, waardoor mensen eerder benoemen wat ze meemaken en het cijfer hoog blijft terwijl het gedrag afneemt. En de onderliggende oorzaken, met name werkdruk en tijdgebrek, zijn in die periode niet kleiner geworden.
Voor wie intern iets voor elkaar moet krijgen zijn dit de bruikbaarste getallen:
Gebruik 79 procent bij sociaal werkers en woonbegeleiders als je wil onderbouwen waarom een specifieke groep prioriteit moet krijgen.
Gebruik 75 tegen 57 procent bij tijdgebrek als je wil laten zien dat agressie ook een organisatievraagstuk is en niet alleen een vaardigheidsvraagstuk.
Gebruik 31 procent agressie door collega’s als je aandacht wil voor omgangsvormen binnen het team, niet alleen voor de cliënt.
De cijfers komen uit de werknemersenquête die het CBS uitvoert voor het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn, gepubliceerd in februari 2026 en betrekking hebbend op 2024.
Wil je aan de vaardigheidskant werken, kijk dan naar onze agressietraining zorg of, voor de GGZ, agressietraining GGZ. Gaat het bij jullie ook om die 31 procent van binnenuit, dan sluit sociale veiligheid training beter aan. En voor het versterken van je mensen zelf is er weerbaarheidstraining zorg.
Uit de werknemersenquête die het CBS uitvoert voor het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn. De cijfers gaan over 2024 en zijn in februari 2026 gepubliceerd.
Daar zijn twee verklaringen voor die elkaar niet uitsluiten. Er is meer bewustzijn, waardoor mensen eerder melden wat ze meemaken. En de onderliggende oorzaken, met name werkdruk en tijdgebrek, zijn niet kleiner geworden.
Sociaal werkers en groeps- en woonbegeleiders, met 79 procent. Dat is aanzienlijk hoger dan het sectorgemiddelde van 57 procent.
Nee. Het CBS is daar expliciet voorzichtig in en stelt dat er geen oorzakelijk verband is aangetoond. Wat de data wel laat zien is een sterk verband: bij onvoldoende tijd voor de patiënt ligt het percentage achttien punten hoger.
31 procent van de zorgmedewerkers kreeg in 2024 te maken met agressie door collega’s of leidinggevenden. Dat krijgt in de berichtgeving veel minder aandacht dan agressie door patiënten.