Sinds 1 augustus 2015 hebben scholen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs een wettelijke zorgplicht voor de veiligheid op school. In de praktijk heet dat de Wet veiligheid op school. Die zorgplicht is kort en bevat drie verplichtingen: beleid voeren, de veiligheid van leerlingen monitoren en twee taken rond pesten bij een persoon beleggen. Hieronder per onderdeel wat er letterlijk staat, wat het in de praktijk betekent en wat de wet niet regelt.
Voor het basisonderwijs staat de zorgplicht in artikel 4c van de Wet op het primair onderwijs. In de wetten voor het voortgezet en het speciaal onderwijs staat een vergelijkbare bepaling. De kern is één zin: het bevoegd gezag draagt zorg voor de veiligheid op school. Daarna volgt wat dat “in ieder geval” inhoudt.
Dat “in ieder geval” is belangrijk. De drie verplichtingen zijn een ondergrens. Een school die ze alle drie afvinkt, heeft daarmee nog niet aangetoond dat het veilig is.
De school moet beleid voeren met betrekking tot de veiligheid. Wat er in dat beleid moet staan, schrijft de wet niet voor. Dat geeft vrijheid, maar het betekent ook dat een document dat in een la ligt formeel voldoet en in de praktijk niets doet.
Een bruikbaar veiligheidsbeleid beantwoordt in elk geval de vragen die een collega zich stelt op het moment dat er iets gebeurt: wat doe ik nu, wie waarschuw ik, waar meld ik het en wat gebeurt er daarna. Staan die antwoorden er niet in, of weet niemand waar het document staat, dan is er beleid op papier en niet op de werkvloer.
De school moet de veiligheid van leerlingen monitoren met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft. De resultaten gaan onverwijld naar de Inspectie van het Onderwijs. De inspectie gaat uit van een jaarlijkse meting van de veiligheidsbeleving van leerlingen.
Representatief betekent dat de uitkomst iets zegt over de hele school en niet over één klas die de vragenlijst toevallig invulde. Actueel betekent dat het beeld van nu is en niet van drie jaar geleden. Een school die eens in de zoveel tijd een groepje leerlingen bevraagt, voldoet daar lastig aan.
De meting is alleen nuttig als er iets mee gebeurt. Een uitkomst waarin een vijfde van de leerlingen zich in de gang niet veilig voelt, vraagt om een gesprek over toezicht en niet om een nieuwe meting volgend jaar.
De wet vraagt dat bij een persoon ten minste twee taken zijn belegd: het coördineren van het beleid tegen pesten, en het fungeren als aanspreekpunt bij pesten. Dat mag dezelfde persoon zijn.
Het woord persoon is hier de kern. Op veel scholen is iedereen verantwoordelijk voor pesten, en dan is in de praktijk niemand het. De wet dwingt af dat er een naam aan hangt. Die naam moet ook bekend zijn bij leerlingen en ouders, anders is er wel een aanspreekpunt maar spreekt niemand het aan.
Onder veiligheid verstaat de wet de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen. Het personeel valt daar niet onder. Voor docenten, onderwijsassistenten en conciërges geldt de Arbowet, waarin agressie en geweld onder psychosociale arbeidsbelasting vallen. Wat dat van een werkgever vraagt, staat in wat de Arbowet zegt over agressie op het werk.
Dat verschil heeft gevolgen. Over hoe veilig leerlingen zich voelen, bestaat een jaarlijks en landelijk beeld. Over hoe veilig het personeel zich voelt niet. In het artikel over agressie in het onderwijs en de cijfers staat wat dat betekent voor wat we wel en niet weten.
De wet zegt ook niets over hoe je omgaat met een ouder die dreigt, een leerling die een docent bedreigt of een conflict dat bij het schoolhek escaleert. Dat hoort in het veiligheidsbeleid, maar de wet schrijft het niet voor. Voor één van de meest voorkomende situaties staat een uitwerking in een boze ouder aan de telefoon.
De drie verplichtingen zijn het minimum. Wat een school veilig maakt, is dat medewerkers weten wat ze moeten doen als het misgaat, en dat ze het durven. Dat laatste leer je niet uit een beleidsstuk.
Onze training sociale veiligheid in het onderwijs richt zich op de schoolbrede kant: afspraken tussen collega’s, de meldbereidheid en hoe een team samen een lijn trekt. Gaat het vooral om lastige situaties met leerlingen of ouders, dan sluit de agressietraining voor het onderwijs beter aan. In beide gevallen oefenen deelnemers met een trainingsacteur aan situaties uit hun eigen school.
Veelgestelde vragen
Sinds 1 augustus 2015 hebben scholen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs een zorgplicht voor de veiligheid op school. Die bestaat uit drie verplichtingen: beleid voeren, de veiligheid van leerlingen monitoren met een representatief en actueel instrument, en het coördineren van het antipestbeleid en het aanspreekpunt pesten bij een persoon beleggen.
De wet spreekt van een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft. De Inspectie van het Onderwijs gaat uit van een jaarlijkse meting van de veiligheidsbeleving van leerlingen. De resultaten moeten onverwijld naar de inspectie.
Nee. De wet definieert veiligheid als de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen. Voor medewerkers geldt de Arbowet, waarin agressie en geweld onder psychosociale arbeidsbelasting vallen en de werkgever verplicht is daar beleid op te voeren.
Ja. De wet vraagt dat beide taken bij een persoon zijn belegd, en dat mag dezelfde persoon zijn. Belangrijker dan de verdeling is dat leerlingen en ouders weten wie het is, anders bestaat het aanspreekpunt alleen op papier.
Nee, de wet zegt alleen dat een school beleid moet voeren. Bruikbaar beleid beantwoordt de vragen die een medewerker heeft als er iets gebeurt: wat doe ik nu, wie waarschuw ik, waar meld ik het en wat gebeurt er daarna.
Benieuwd wat een training voor jullie team zou doen?
Vertel kort welke situaties er bij jullie spelen. Je krijgt een voorstel op maat, met een prijs en een voorgestelde datum.